Inzegenings-gedicht kerk Goirke
<< Goirke Kerk


Bron: Coll briefkaart 1902 M. Populiers

Gedicht

Geschreven op 1 oktober 1839 door Vicaris apostolicus, pastoor te Grave G. Hermans.

Uitgegeven bij de weduwe J. van Gemert en Zn te Tilburg gevestigd op de Markt.

De twee laatste coupletten in 1988 op muziek gezet door Harry Swinkels b.g.v. de viering 150 jaar kerkgebouw St Dionysius 't Goirke op 1 okt 1989.

Dit gedicht heeft in het jaar 2008 een speciale betekenis gekregen vanwege de tekst in het voorlaatste vers: "Het ministerie van OC+W heeft de restauratie 1e fase van 't kerkgebouw Goirke met een subsidie van ruim 667.123 goedgekeurd en deze opknapbeurt is per 1 november 2007 gestart".

In 2016 is goedkeuring gekomen om de muren in de zijbeuken te restaureren.

Dank verschulding aan Provincie Noord Brabant, Prins Bernard fonds, Vrienden Goirkese kerk.


'Kunstminnaars staat, bewonder al mijn vestingswerken'

Welaan, laat ons dit prachtig huis, dit schoone bouwen
met een verwonderend oog, langs alle kant beschouwen
treedt binnen in Gods huis, verheft een kunstig oog
aanschouw en ziet, hoe zijn gewelven hemelhoog.

Te luister Gods, zeer juist en ordlijk zijn verheven
ziet hoe zij met opgaande kruizen zijn doorweven
gaat rond met zachte tred en ziet langs allen kant
past, meet elk deel, hoe sprekend juist is zijn verband.

Het kerkschip is lang honderdveertig rijnlandse voeten
in 't breed zult gij er negenenzeventig ontmoeten
ik ben twee en dertig breed en vier en dertig lang
zo spreekt het koor en zestig hoog klinkt hier de zang.

Hoe blinkt mijn kleed zegt 't huis, het gaat de sneeuw te boven
als maagd in 't wit gehuld, zal ik de Heer steeds loven
hoe schitterend voor 't oog vertoond zich 't bovenlicht
hoe schoon, hoe hemelsch, 't is de luister van 't gesticht.

Kunstminnaars, staat bewondert al mijn vestingswerken
aanschouwt het twaalf kolommental die mij versterken
zegt met gerust gemoed, dit huis zal eeuwen staan
het zal van kind tot kind, gedurig overgaan.

Laat vrij het brandend en het schuimend zeenat bruischen
laat vrij tempeesten, donderbuyen hevig ruischen
de tempel staat onwrikbaar vast gelijk een rots
haar zuilen staan van eeuw tot eeuw ter ere Gods.

Naar volgende gedicht De vurste toren door Guus Biesen.